Soms zijn ze glad en groen als een appeltje, soms bruin en bobbelig als een oude knikker. Ze ontstaan door de aanwezigheid van een piepklein insect: de galwesp. Galwespen zijn vliesvleugelige insecten, die met een lange legboor hun eitjes in planten leggen, waarna gallen ontstaan. Hierdoor raakt de ontwikkeling van de plant ontregeld. De plant groeit vervolgens om het ei heen en creëert daarmee een gal.
De bekendste
soort is de eikengal (blad)wesp (Cynips quercusfolii) die op de onderkant van
eikenbladeren 3 centimeter grote gele tot rode galappels veroorzaakt. Met het
afzetten van de eitjes spuit de galwesp ook gif in de bladknop wat ervoor zorgt
dat het bladweefsel gaat opzwellen en zacht wordt. Uit de eitjes komen larfjes
die zelf ook stoffen uitscheiden die de groei van de gal bevorderen.
Uiteindelijk ontstaan de gallen. De eitjes van de galwesp zijn hier goed
beschermd én de 'appel' biedt voedsel aan de larven.
Aardappelgallen
hangen in het voorjaar op diverse plaatsen in zeer grote aantallen aan de
eiken. Ze zijn sponsachtig, onregelmatig gevormd en kunnen wel vijf centimeter
groot worden.
Bron:
NatuurNetNieuws, uitgave van platform GROEN! natuurlijk:
www.groen-natuurlijk.nl


